Home » Korte verhalen » Een geest uit het verleden

Een geest uit het verleden

Esther liep langzaam door het park, genietend van de zon op haar gezicht. Ze ging het boodschappenlijstje af wat in haar hoofd zat en besloot naar welke winkel ze eerst zou gaan om zo economisch mogelijk met haar tijd om te gaan. Plotseling klonk de schelle blaf van een hond, ze schrok en ergerde zich tegelijkertijd dat ze nog steeds zo snel ergens bang van was. Van elk plotseling geluid, van een gedaante die zich ineens in haar blikveld nestelde. Het was wel minder geworden, in het begin durfde ze nauwelijks naar buiten. Ze was in contact gekomen met lotgenoten en dat had haar goed gedaan. Maar er waren mindere dagen en dan schrok ze overal van. 

 

Ze rechtte haar rug en liep verder. Haar gedachten dwaalden af, morgen zou haar broertje jarig zijn geweest. Levi was zestien toen hij meegenomen werd. Hij had gehuild en geschreeuwd alsof hij wist dat ze elkaar niet meer zouden zien. Een traan biggelde langzaam langs haar wang. Woest veegde ze het weg. Het had geen zin, ze moest ophouden met dit soort gedachten. Het was inmiddels jaren geleden maar soms leken het maar minuten. 

 

Esther wandelde het park uit en liep de drukke winkelstraat in. Eerst maar even naar het warenhuis dan had ze het drukste gedeelte gelijk achter de rug. Eigenlijk hield ze niet zo van veel mensen op één plek en ze was altijd blij als ze er weer uit kon lopen. Tussen vreemde mensen geperst stond ze op de roltrap naar beneden. Links van haar op de roltrap naar boven stond een man met een groene jas die onmiddellijk haar aandacht trok. Ze kon maar een stukje van zijn gezicht zien maar de manier waarop hij stond, met zijn hoofd een beetje schuin, nee dat kon toch niet.... 

 

Er liep een rilling langs haar ruggengraat, het bloed trok weg uit haar gezicht en haar hoofd begon te bonzen. Ze was bang dat ze zou flauwvallen. Gelukkig was ze net aangekomen op de benedenverdieping. Zonder er verder bij na te denken rende ze naar de andere roltrap die naar boven ging, mensen opzij duwend die in haar weg stonden en vloog naar boven. Eenmaal aangekomen keek ze alle kanten op, waar was hij gebleven? De etage waar ze zich bevond was de begane grond, de kans was groot dat hij naar buiten was gelopen. Ze rende naar buiten en keek om zich heen of ze hem zag. 

 

Intussen maakte haar hersens overuren. Diederick Lebert, de kamp commandant die haar broertje en haar ouders had vermoord liep hier gewoon rond. Nooit zou ze dat gemene lachje van hem vergeten of hoe hij zijn hoofd altijd een beetje schuin hield. De enige reden dat zij het kamp had overleefd was omdat ze een meisje was geweest. Ze schudde haar nare herinneringen van haar af en rende naar links. Niets, ze zag hem niet. Een kreet ontsnapte aan haar mond en ze draaide om en rende naar rechts. Mensen bleven staan om naar haar te kijken, ze had niets in de gaten. Ja daar zag ze iemand met een groene jas, ze rende zo hard ze kon in zijn richting. 

‘Diederick Lebert,’ schreeuwde ze de man toe, ‘blijf staan’. De man reageerde niet en liep gewoon door alsof hij er niets mee te maken had. Bijna had ze hem ingehaald, nog een kleine spurt en ze struikelde over een omhooggestoken tegel waardoor ze vol tegen de man aan viel. Beiden belandden met een smak op de grond. Esther draaide zich naar hem toe en schrok, ze keek in een vreemd gezicht dat ze nog nooit eerder had gezien. Ze hapte naar adem en viel flauw. 

 

Een uur later, alles was weer rustig op straat. Esther en de onbekende man waren beiden meegenomen naar het ziekenhuis voor onderzoek. Verborgen in een donkere portiek in een zijstraat stond een man. Hij trok de kraag van zijn groene jas wat hoger om zich heen. Zijn hoofd hield hij een beetje schuin. Aarzelend liep hij de straat op en verdween langzaam in de verte. 

 

 

@Ingrid Aanen