Home » Korte verhalen » Massala, een Afrikaanse slaaf

Massala, een Afrikaanse slaaf op weg naar Suriname in het jaar 1793.

Ik lig te rillen van de kou. De hele reis heb ik het al koud gehad. Ik probeer me zo klein mogelijk te maken in de hoop wat warmer te worden. Mijn hand gaat automatisch naar de plek op mijn been waar ik de hard geworden randjes voel van de wond die er sinds kort zit. Mijn gedachten gaan terug naar waar de ellende allemaal begonnen is.

 

Twee maanden geleden was ik betrapt op het stelen van een stuk brood. Dagenlang had ik al niks gegeten en had honger. Nog nooit eerder had ik iets gestolen en ik was er onhandig in. Hard rende ik weg met het stuk brood maar ik was toch gepakt. Lang had ik niet in het schavot gezeten. Ze haalden me eruit en zetten me op straat voor een groepje mannen. Eén ervan keek me strak aan en liep vervolgens om me heen. ‘Hoe heet je?’ zei de man. ‘Massala, meester,’ zei ik verlegen. De man kneep in mijn wangen zodat ik gedwongen werd om mijn mond te openen. Mijn tanden werden geïnspecteerd. ‘Goed,’ zei de man, ‘700 florijn’. De koop werd bekrachtigd met een handdruk en ik werd meegevoerd naar een open kar waar een aantal paarden voor stonden gespannen. Er zaten al een paar andere mannen toen ik de kar werd opgeduwd. Er werd nog een andere man de kar opgeduwd en even later vertrokken we.

 

Naar de kust

We hadden best een tijd op de kar gezeten toen ik opeens iets rook. Een andere lucht dan normaal, ik probeerde te ontdekken wat het was. Even later hoorde ik ook lawaai. Het lawaai ging weer weg maar kwam even later weer terug. Tussen de lijven van de mannen door probeerde ik te zien wat het was. Opeens zag ik het, het leek wel water, heel veel water. Mijn ogen werden groot van verbazing, de man naast me zei: ‘dat is de zee.’ Ik keek mijn ogen uit, mijn opa had het weleens over de zee gehad en nu zag ik het voor het eerst. Even later werden de paarden gemaand te stoppen en de kar kwam krakend tot stilstand. Alle mannen moesten eruit en werden gedwongen naar het grote fort te lopen. We hadden daar een lange tijd gezeten en er waren langzamerhand steeds meer mannen bijgekomen. Ik hoorde soms ook vrouwenstemmen, die zaten blijkbaar in een ander gedeelte. Sommige mannen zeiden dat ze moesten wachten tot er een schip was en dat ze dan over zee zouden vertrekken.

 

Op een ochtend werden we allemaal naar buiten gebracht en in een rij achter elkaar gezet. Ik kon het begin van de rij niet zien en wist dus niet waarom we stil bleven staan. Opeens hoorde ik een gesis en gelijk een schreeuw. Dit herhaalde zich een aantal maal en ik merkte dat de rij naar voren bewoog. Toen ik kon zien wat er gebeurde vervulden mijn ogen zich met afschuw. Een man voor mij in de rij had boeien om zijn enkels gekregen. Een van de andere mannen drukte een apparaat in het open vuur en vervolgens op het been van de geboeide man. De man gaf een schreeuw van pijn en werd naar het schip gesleept. Ik huiverde en wist dat ik het brandmerken zo ook moest ondergaan. Ik keek om me heen voor een vluchtweg, er stonden echter overal mannen met wapens.

 

Voet aan wal

Inmiddels zijn we al heel lang op zee. Wat heb ik het toch koud. Al mijn spieren doen zeer. Ik hoop niet dat ik ziek word. Er waren al een paar mannen ziek geworden en die zijn weggehaald. Er wordt gemompeld dat ze overboord zijn gegooid. Ik weet niet of het waar is maar ik heb de mannen nooit meer benedendeks gezien. Soms als het weer goed is mogen we eventjes naar boven en daar heb ik ze ook niet meer gezien. We zullen vandaag aan land gaan, Suriname heet het nieuwe land. Mijn nieuwe meester zal daar zijn. Ik heb geen idee wat me verder te wachten staat en wat voor werk ik moet gaan doen. Het varen is bijna over, daar ben ik in ieder geval blij om. Fijn om zo weer grond onder mijn voeten te voelen.

 

 

Dit is geschreven n.a.v. een schrijfopdracht: ‘Wie was jij in een andere tijd?’

 

@Ingrid Aanen