Home » Korte verhalen » Morgen wordt alles beter

Morgen wordt alles beter

 

Amira verschoof haar voeten een beetje voor zover dat kon in de kleine ruimte waar ze zat. Het liefst zou ze opstaan en even heen en weer lopen. Kadeem had gezegd dat ze hier moest blijven zitten en stil zijn. Voor zover ze zich kon herinneren had haar broer altijd goed voor haar gezorgd en ze was hem gewend te gehoorzamen. Ze huiverde een beetje van de kou en waarschijnlijk ook van de honger. Hopelijk had Kareem wat eten kunnen vinden en zou hij gauw terug zijn. Ze moest toch ingedommeld zijn want plots schrok ze wakker van iets wat leek op gestommel buiten. Even later verscheen het vertrouwde gezicht van Kareem.
'Kijk eens, ik heb wat vijgen kunnen vinden' zei Kareem 'eet maar op.'
'En jij dan?' vroeg Amira.
'Ik heb onderweg hiernaartoe al wat gegeten.' loog Kareem. Hij besloot zijn rommelende maag te negeren.

 

Nadat Amira weer in slaap was gesukkeld dwaalden zijn gedachten terug naar de afgelopen uren die hij doorgebracht had in het centrum van de stad. Hij was geschrokken van de hoeveelheid verschillende gewapende bendes die hij tegen was gekomen. Het leken er steeds meer te worden. Naast legeruniformen zag hij ook rebellen. Een keer kwam hij bijna midden in een gevecht van twee rivaliserende bendes terecht. Ze schoten op alles wat bewoog, het stonk er verschrikkelijk, de penetrante ammoniakgeur deed zeer in zijn neus. De dichte kruitdampen lieten hem hoesten. Geschrokken had hij zich steeds verder uit het centrum teruggetrokken met als resultaat dat hij alleen wat vijgen had weten te bemachtigen.

 

De puinhoop in het inmiddels onbestuurbare land was kolossaal en allerlei ongure groeperingen werden gevormd, die allemaal vonden dat ze recht hadden op de macht. Kareem begreep dat het oorlogsgeweld zich steeds meer zou uitbreiden en dat ze verder weg moesten vluchten. Hij besloot dat ze de stad de volgende morgen zouden verlaten. In alle vroegte waren ze voorzichtig uit hun schuilplaats gekropen en op weg gegaan naar het grote onbekende. Kareem had bedacht om richting de grens te lopen in de hoop het veiligere buurland te bereiken. Hij maakte zich zorgen om zijn zus, ze was nog zo klein en ze moesten nog heel ver. Heel even flitste er een herinnering van een moment van geluk in zijn gedachten. Zijn ouders waren er nog en ze zaten gevieren te eten in de tuin. Hij rook de mix van geuren van het eten en de bloemen, de hond blafte en hij hoorde bijna de lach van zijn moeder weerklinken. Snel stopte hij de herinnering weer ver weg en veegde bruusk een traan van zijn wang.

 

'Kareem, mijn voeten doen zo zeer.' Opgeschrikt uit zijn gedachten keek hij naar zijn zusje, inmiddels blootsvoets en met gescheurde kleding. Zijn hart bloedde toen hij zag hoe ze in vol vertrouwen naar hem op keek. Na de plotseling dood van zijn ouders had hij voor Amira gezorgd. Zijn ouders waren onderweg naar huis toen ze werden getroffen door scherpschutters, het was niemand duidelijk geworden door welke partij ze waren neergeschoten. Nog een tijd waren ze in het ouderlijke huis gebleven met zijn tweeën. Toen steeds meer gewapende bendes in de buurt verschenen had Kareem niet langer de moed gehad daar te blijven. Hun zwerftocht was begonnen.

 

'Ga hier maar even zitten' zei Kareem 'dan kijk ik even naar je voeten.' Gelukkig bleken haar voetzolen niet kapot maar je zag wel indrukken van de harde steentjes waar ze over had gelopen. Ze was waarschijnlijk eerder moe dan dat ze echt pijn had realiseerde Kareem. 'Kom dame, je mag een poosje op mijn rug mee. Dan kunnen je voeten een beetje uitrusten.' Gelukzalig sloot Amira haar armen om de nek van haar grote broer. Langzamer door het extra gewicht op zijn rug liep Kareem de stad uit op weg naar de grens. Hij vermoedde dat het nog wel een paar dagen lopen was maar hij wist niet wat hij anders moest doen. Ze liepen tussen de, in de steek gelaten, velden van de boeren tot ze het meer bergachtige terrein bereikten. Na de eerste berg beklommen te hebben zag Kareem wat mensen voor zich lopen. Voorzichtig bestudeerde hij hen, waarschijnlijk een vader en een moeder met drie kinderen waarvan een nog op de heup van de moeder zat. De vader liep te zeulen met wat tassen. Zo te zien dus ook vluchtelingen. Dat is gunstig, dacht Kareem. Met meer zijn we sterker. Hij besloot iets harder te lopen zodat hij wat dichterbij kon komen.

 

Na de volgende bocht stokte zijn adem even. Zijn ogen werden groter. Hij liet Amira van zijn rug zakken. Het was ongelofelijk wat hij zag, een hele sliert van wel kilometerslang, mensen die allemaal richting de grens liepen. Er liepen mensen die ezels bij zich hadden, volgestouwd met spullen. Heel veel kinderen zag hij. Maar ook een kar die werd voortgetrokken en geduwd waar, naast alle huisraad ook wat oude mensen op zaten. Eindelijk voelde hij zich iets minder alleen. Nu kon hij hulp vragen. Misschien mocht Amira af en toe een stukje meerijden op de kar. Kareem stak zijn hand uit, vol vertrouwen legde Amira haar hand in die van haar broer.

 

Hij zei: 'Kom Amira, dit is de weg die we moeten gaan. Morgen, ja morgen wordt alles beter.'

 

@Ingrid Aanen